Ik voelde haar ogen op mij gericht
Ze volgden de groeven van mijn gezicht
Met haar vingers streelde ze mijn neus, mijn wang
Ze had het bericht gekregen
Dat ik niet meer leven zou, niet lang
Mijn dochter
Ooit woonde ze in mijn buik
Niet dat ik dat wilde
Maar dat was toen het gebruik
Als vrouw had ik niets te zeggen
Gods wil was wet
En die van Wim, mijn man
Want die wilde met me naar bed
Nu zit ze naast mij
Een volwassen vrouw
Die niet van mijn zijde
Wijken zou
Mijn hand rust in de hare,
accepterend en koesterend
Het is een van haar gebaren
Die mijn hart zo raken
Ik zeg niets
De kracht uit mijn lichaam is verdwenen
Ik hoor mijn dochter
Stilletjes wenen
Om mij heen verschijnt het licht
Engelen zijn verschenen
Ik hoor de woorden
Van haar onuitgesproken gedachten
Die van mijn bestaan
niets meer verwachten
‘Ga maar, moeke, het is goed.’
Ik dacht: ik weet helemaal niet hoe dat moet
De engelen wezen mij de weg
Kom, Truus, kom
Wat als ik je zeg
dat Wim daar op je wacht?
Had jij dat ooit gedacht?
Mijn hart glimlachte,
maar niet mijn mond
Die blies een laatste adem
En toen was het rond
Het einde van mijn leven,
een nieuw begin
Ik ging het licht tegemoet
en liet achter,
mijn gezin.



